Voortaan, al de dagen van de aarde, zullen zaaitijd en oogsttijd,
koude en hitte, zomer en winter,
dag en nacht niet ophouden.
(Genesis 8:22)

Het is weer zomer! Alles wat in de lente ontkiemde is tot volle bloei gekomen. De zomer is het hoogtepunt van de vier seizoenen. ’t Is in het jaar ook de tijd van grote vakantie en ontspanning. Van eropuit trekken en het goede leven leven. Want wat nog volgt is het weliswaar kleurrijke maar ook melancholieke seizoen van de vergankelijkheid, dat uitloopt op de koude, grijze winter. Zo is de gang van de jaargetijden een beeld van het leven zelf. De cirkel is rond. De bloem valt af, het gras verdort. De mens keert terug naar zijn Schepper.
Deze orde van de seizoenen, van dag en nacht, van zon en maan, is bij alle volkeren bekend. Daar wijzen de seizoenen echter op de kosmische orde. Het eindeloos cyclisch rondgaan: na de doodse winter komt weer de frisse lente, en dat gaat zo door en door. De mens is daarbij niet meer dan slechts een schakel, een onderdeel van dit grote kosmische worden en vergaan. De mens, een broodkruimel op de rok van het universum (Lucebert).
Maar in Israël ligt dat heel anders! De seizoenen duiden niet op de eeuwige wederkeer der
dingen. De seizoenen zijn uitdrukking van Gods trouw. Zij zijn door God geformeerd. Zon en maan en sterren worden in Israël niet aanbeden, zoals bij de omliggende volkeren. Nee, zij hebben een functie. Zij moeten namelijk de tijden aangeven, heilzaam. Zij verkondigen Gods trouw (Psalm 19). De mens wordt bij name gekend, in de tijd, en zo boven het nameloze uitgetild.
Nee, wij leven niet eindeloos. Stof zijn wij. En onze eeuwigheid is niet in de kosmos, waar wij naamloos verdwijnen als een golf in de zee. Maar wij leven in de tijd, tijd-elijk. En in de tijd zijn wij voor ál-tijd bij onze naam gekend, door de trouwe God. Onze tijden zijn in Zijn hand (Psalm 31:16).

Gij hebt, o God, dit broze bestaan gewild,
hebt boven ’t nameloze mij uitgetild,
laat mij dan dankbaar leven, de volle tijd,
geborgen in de bevende zekerheid,
dat ik niet uit dit smal en onvast bestand
van mijn bestaan zal vallen dan in uw hand. //

Tekst: ds.Wouter Klouwen, juli 2020

Lied: Ad den Besten (Liedboek 920)

 

 

 

Grensoverschrijding

Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt
(Psalm 130:4)

Is vergeving een eindeloze plicht? Is vergeving een ethische eis die te allen tijde geldt? Die vraag stelde Petrus al aan de Heer: ‘Here, hoeveel keer zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven? Tot zevenmaal toe?’ (Matteüs 18:21) Een begrijpelijke vraag. Er is toch een grens aan? Je kunt je situaties voorstellen dat vergeving teveel gevraagd is. Dat het niet kan. Er bestaat onrecht dat niet goed gemaakt kan worden, leed dat niet gewroken kan worden. Trouwens, vergeving is in zichzelf al de overschrijding van een grens: niet toerekenen wat de ander toekomt. Niet schuld vereffenen. Geen oog om oog, tand om tand. Maar deze grensoverschrijding, die vergeving zelf al is, kan toch niet grenzeloos zijn? Inderdaad, er is een grens: ‘Jezus zei tegen Petrus: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventig maal zevenmaal’ (Matteüs 18:22). Nou, daar is Petrus niet mee geholpen. Wij ook niet. Deze grens ligt wel héél ver weg.
Of zou het zijn dat de grens van de vergeving niet met een rekensom, een weegschaal of kerfstok te berekenen is? Omdat de grens van de vergeving niet bij ons mensen ligt, maar bij God? Want hoe wij elkaar ook rekenen en hoe wij ook schuldig staan tegenover elkaar en daarin vastlopen, we doen dat altijd onder Gods hemel, voor Hem die wij onze liefde schuldig zijn. Gods barmhartigheid is de grens van ons vergeven (zeventig maal zevenmaal), Zijn oordeel de grens aan ons wreken: ‘Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Here’ (Romeinen 12:19).
Dan is vergeving niet zomaar een ethische eis, die soms te hoog gegrepen kan zijn. Maar dan heeft vergeving ten diepste te maken met de erkenning dat het laatste woord en oordeel niet bij ons ligt, maar bij Hem voor wie wij allen openbaar moeten worden, Christus. Bij Hem, die wij veroordeeld hadden, en die voor ons bad aan het kruis: ‘Vader, vergeef het hun, zij weten niet wat zij doen’ (Lukas 23:34). Het kruis is de grensoverschrijding waarvan wij leven, zijn vergeving, opdat wij de Here vrezen en onze broeders-en-zusters onder het kruis aanvaarden.

ds. Wouter Klouwen
juni 2020